|
Sectorale benadering
In oktober 2000, twee maanden na het aantreden van de regering-Venetiaan II, bracht de Nederlandse Minister voor Ontwikkelingssamenwerking Herfkens een bezoek aan Suriname. Op basis van het regeringsprogramma en de getroffen maatregelen ten aanzien van macro-economische stabiliteit werd overeengekomen een nieuw programma van ontwikkelingssamenwerking uit te werken langs de lijnen van de sectorale benadering.
In dit overleg en in het vervolgoverleg dat beide ministers in juni 2001 voerden in Nederland, werden de volgende afspraken gemaakt:
- het financieren van te ontwikkelen sectorprogramma's in zes sectoren (onderwijs, gezondheidszorg, bestuur, milieu, agrarische sector, huisvesting) middels de sectorale benadering;
- het co-financieren van programma's die worden ontwikkeld met internationale organisaties;
- het financieren van beleidsvoorbereiding in alle sectoren door middel van een separaat fonds.
- het optoppen van vijf projecten uit het verleden (Herstel Zeedijk Nieuw Nickerie, Regeling Laagfrequente Aandoeningen, Paramaribo Water Voorziening, Fonds Ontwikkeling Binnenland, Investeringsfonds Suriname) en het hervatten van het project Institutionele Versterking Ministerie van Financien;
- het opstarten van drie nieuwe projecten die binnen de gekozen sectoren versneld van start konden gaan (institutionele versterking van het Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG), Herstel Schade Onderwijs Binnenland en het project GLIS/Kadaster, dat zich richt op het actualiseren van de kadastrering van het Surinaams grondgebied, en het invoeren van een Grond en Land Informatie Systeem (GLIS)
- het gezamenlijk uitvoeren van een 'lessons learned' exercitie over de ontwikkelingssamenwerkingrelatie van 1975 tot heden;
- het aanwenden van de Euro 176.974 miljoen aan resterende garantiemiddelen ter garandering van een lening van Suriname bij de NIO Bank in Nederland; dit bedrag dient voor sanering van de schuldenpositie van Suriname en de opbouw van een deviezenreserve;
Sectorale Benadering
Deze afspraken betekenden een trendbreuk in de ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en Suriname; niet langer zou deze gebaseerd zijn op het uitvoeren van projecten, maar overgegaan zou worden tot een sectorale, programmatische aanpak. De sectorale benadering (SB) is een werkmethode die programma’s, projecten en begrotingssteun in een coherent analyse kader plaatst, waarbij maximale aansluiting bij en integratie in het bestaande beleid van de ontvanger wordt nagestreefd om daarmee betere duurzame maatschappelijke resultaten te realiseren. Deze aanpak is in de negentiger jaren door donoren i.s.m. ontwikkelingslanden wereldwijd ingevoerd om de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking te vergroten; de invoering hiervan in Suriname sloot derhalve aan bij mondiale ontwikkelingen.
Reden voor deze gewijzigde aanpak was, dat uit onderzoek was gebleken dat ontvangende overheden door de wijze van de ontwikkelingshulp (veelal projecthulp) weinig grip hadden op de hulp. De SB komt voort uit de overtuiging dat ontwikkelingssamenwerking meer effectief en duurzaam zal zijn, als de ontvangende regering zelf aangeeft binnen welke sectoren zij met een donor willen samenwerken, en binnen die sectoren ook zelf meerjarige beleidskaders opstellen. Donoren kunnen na afronding van dergelijke beleidskaders overgaan tot financiering van onderdelen daarvan.
Kernelementen van sectorale benadering zijn:
Ownership: de ontvangende overheid en of andere betrokkenen zijn eigenaar en bestuurder van beleidsvorming en beleidsuitvoering in een door hen zelf gedefinieerde sector;
Accountability: op basis van een analyse van de mogelijkheden en knelpunten in een sector wordt onder verantwoordelijkheid van het ontvangende land een meerjarig sectorplan opgesteld. In dit plan worden de te bereiken resultaten (indicatoren), te ondernemen activiteiten, beheersproces en benodigde financiële middelen opgenomen;
financiering van het sectorplan komt uit de eigen begroting van het ministerie en van donormiddelen; het sectorplan wordt door de overheid samen met stakeholders (NGO’s en private sector) opgesteld;
Partnerschap: er is een dialoog met betrokken donoren die de beleidsplannen toetsen op effectiviteit, efficiency en duurzaamheid. Door donoren regelmatig te betrekken tijdens het opstellen van de plannen, zal de toetsing door hen weinig tijd in beslag nemen.
Donorcoördinatie: met en tussen donoren worden tezamen met het ontvangend land afspraken gemaakt over de wijze waarop ze de uitvoering van de sectorplannen zullen steunen en met welke bijdragen. Dit kan o.a. door begrotingssteun, waarbij via het ministerie van Financiën de begroting van het vakministerie direct wordt verhoogd maar ook door een tussenvorm door het plaatsen van een sectorfonds bij het betreffende ministerie, waarvan de besteding is gericht op bepaalde tevoren afgesproken activiteiten;
Monitoring: de uitvoering van beleidsplannen wordt gezamenlijk gemonitord door de ministeries en donoren, met betrokkenheid van stakeholders, bij voorkeur aan de hand van tevoren opgestelde meetsystematiek (indicatoren);
Dynamisch: SB heeft geen spoorboekje, het is een dynamisch proces. SB is een set van uitgangspunten: samenhang, ownership, partnership. De vorm van SB kan per land en per sector verschillen. Het is afhankelijk van omstandigheden en uitdagingen in het land.
Nederland legt in de ontwikkeling van een sectorstrategie de nadruk op de internationaal erkende Gavim-doelstellingen. Deze doelstellingen zijn gekoppeld aan de internationaal overeengekomen MDG's (Millennium Development Goals). Bij de totstandkoming van de sectorplannen zal Nederland derhalve met name voor integratie van deze onderwerpen in het sectorbeleid aandacht vragen.
|